Verslag ceremonie
Ceremonie en overhandiging certificaat Canadese regering, Castlegar, 2 januari 1987
Openingstoespraak Jack Chernow [of Chernos?]
“Allereerst welkom, Gelukkig Nieuwjaar […..]
Wij zijn hier vanavond om hulde te brengen aan twee zeer waardevolle […..] gelijkwaardige vrienden, Frans en Maria Braal. Deze mensen hebben veel betekend vele jaren geleden. Het wordt tijd dat we ze herdenken.”
Hij introduceert parlementslid voor West Kootenay, Robert ‘Bob’ Brisco.
Bob Brisco vraagt het publiek op te staan en stelt Frans en Maria Braal formeel voor [applaus van het publiek].
“Ik denk dat het op deze late datum, 1987, alsnog passend is om stil te staan bij de aanleiding waarom we nu hier samen zijn.
[Hij stelt voor een brief voor te lezen gericht aan George Hees, minister van Veteranenzaken, november 1986].
De auteur van de brief is Phil Pochailo, voorheen Flying Officer, RCAF . Hij schrijft:
‘Geachte heer,
Ik schrijf u in de hoop dat u, als minister van Veteranenzaken, een ernstige omissie van de Canadese regering kunt rechtzetten om de zeer grote bijdrage aan Canada te erkennen die een Nederlands echtpaar, de heer en mevrouw Maria en Frans Braal, tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geleverd.
De heer en mevrouw Braal speelden een zeer belangrijke rol, met groot risico voor zichzelf en hun kinderen, door tijdens de Nazi-bezetting van Nederland vliegers en manschappen van de Amerikaanse, Britse en Canadese luchtvloot te huisvesten. Zij kregen hulp om gevangenneming te ontlopen en terug te keren naar actieve militaire dienst vanuit Groot-Brittannië.
De heer en mevrouw Braal wonen nu in […..] Kamloops, B.C. Als een van de Canadese bemanningsleden die zij in 1944 en '45 assisteerden, was ik in de gelegenheid hen te bezoeken tijdens Expo '86 . Thuis bij hen werden uiteraard vele herinneringen aan de oorlogstijd opgehaald.
De heer en mevrouw Braal lieten mij trots hun eervolle vermeldingen zien die zij mochten ontvangen van Winston Churchill en Dwight D. Eisenhower, waarin zij het echtpaar bedankten voor hun inspanningen bij het helpen van Amerikaanse en Britse vliegers en manschappen om gevangenneming te ontlopen en in sommige gevallen terug te keren naar actieve dienst. Ze lieten me ook een Zilveren Kruis zien, aan hen aangeboden door de Koningin van Holland als erkenning voor hun oorlogsinspanningen.
Kunt u zich mijn verbazing en vernedering voorstellen toen ik vroeg of zij iets van de Canadese regering hadden ontvangen als erkenning voor hun hulp aan Canadese bemanningsleden.
Ze antwoordden zonder verbittering dat ze niets hadden ontvangen. Dit was vooral gênant voor mij omdat de heer en mevrouw Braal mij buitengewone hulp boden met groot risico voor henzelf en hun kinderen, toen ik in mei 1944 boven Nederland werd neergeschoten.
[nieuwe gasten arriveren, dhr. Brisco geeft hen een korte samenvatting van de dingen die zojuist zijn gezegd en leest verder uit de aanbevelingsbrief van de heer Pochailo]
De brief gaat verder …
Frans en Maria Braal namen mij in huis op het platteland en hielpen mij zes maanden lang waardoor ik gevangenneming ontliep. Vervolgens regelden zij begin 1945 mijn terugkeer naar Groot-Brittannië via het ondergrondse netwerk. Gedurende de eerste zes maanden voorzagen de heer en mevrouw Braal mij van medische zorg voor de behandeling van brandwonden in het gezicht, een gewonde voet en hepatitis die ik opliep kort nadat ik via de Braals bij de Nederlandse ondergrondse was terechtgekomen. Tijdens mijn verblijf bij de Braals waren er momenten waarop ze 26 mensen onderdak verleenden en voedden. Mensen die om de een of andere reden beter anoniem konden zijn of die moesten onderduiken, omdat ze bekend stonden als actieve deelnemers aan de geallieerde oorlogsinspanningen.
Ik zou het zeer op prijs stellen als u de tijd zou kunnen vinden, mijnheer, om te zien of deze omissie kan worden rechtgezet, waarbij de heer en mevrouw Braal door de Canadese regering worden erkend voor hun hulp aan Canadese bemanningsleden die boven Nederland zijn neergeschoten tijdens de Nazi-bezetting van hun land. Als u meer informatie nodig heeft, wil ik u deze graag verstrekken als daartoe verzocht wordt.
Hoogachtend,
Phil Pochailo, voormalig Flying Officer
Het antwoord van de Minister van Veteranenzaken luidt als volgt:
‘Geachte heer en mevrouw Braal,
Aanvaard alstublieft dit erkentelijkheidscertificaat als een kleine gebaar van Canada’s dankbaarheid voor alles wat u voor onze piloten hebt gedaan in de Tweede Wereldoorlog. Het spijt me dat uw inspanningen niet eerder officieel zijn erkend door uw adoptieland. Maar we waren niet op de hoogte van uw activiteiten in oorlogstijd, totdat ik een brief ontving van voormalig Flying Officer Philip Pochailo, een van de bemanningsleden die u behoedde voor gevangenschap. Als iemand die zelf tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland heeft gevochten, weet ik hoeveel de Geallieerden aan de Nederlandse ondergrondse te danken hebben. Ik ben erg trots dat u ervoor heeft gekozen om in Canada te komen wonen. Nogmaals onze oprechte, zij het late, dank.
Met vriendelijke groeten,
George Hees, minister van Veteranenzaken
[Dhr. Brisco toont het niet ingelijste certificaat en leest voor]
Het draagt het gouden wapenschild van Canada en er staat:
‘Maria en Frans Braal
Dit certificaat wordt uitgereikt door de regering van Canada en de bevolking van Canada als diepe waardering voor uw moed en vindingrijkheid bij het onderdak bieden aan Canadese vliegers en bemanningsleden in bezet Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Door uw eigen leven te riskeren, heeft u voor velen de vrijheid herwonnen.
Gedateerd 10 december ’86, George Hees, Minister van Veteranenzaken ''
[Wordt overhandigd met felicitaties; applaus]
De volgende spreker is MLA voor Nelson-Creston, Howard Dirks die een korte toespraak houdt, waarin hij de band tussen Nederlanders en Canadezen in herinnering brengt en erkenning geeft aan wat de Braals als actieve kiezers voor hun leefgemeenschap hebben gedaan.
Dhr. Brisco introduceert hierna een oude vriendin, Audrey Moore. Na een korte toespraak ter herinnering aan de samenwerking tussen de stad Castlegar (regio West Kootenay) en Frans Braal én aan de samenwerking op Selkirk College van haar man met Frans Braal overhandigt ze een brief van zijn doctoraatsstad (Castlegar?) en een speld van de stad.]
Frans Braal reageert onder veel gelach:
"Ik moet haar waarschuwen, want tijdens de oorlog heb ik vaak in gemeentehuizen ingebroken om voor ons waardevolle papieren te bemachtigen. Het is dus beter om bij mij de sleutels van de stad in te leveren..." [weer veel gelach]
Dhr. Brisco introduceert nu een oude vriendin die teruggaat tot de oorlogstijd dat ze de Braals kende,
Francien van der Pol
"[…..] Het is voor mij een grote eer om deze toespraak te houden en deel te nemen aan de erkenning van de Canadese regering voor het werk dat Frans en Maria Braal hebben gedaan in het Nederlandse verzet tijdens de oorlog. […..] Ik ben degene die u in die tijd het beste kende, ook al heb ik u pas in november 1944 leren kennen. In die maand trouwden mijn moeder, die weduwe was, en de vader van Frans, die weduwnaar was. Frans en Maria waren al getrouwd en hadden vier kinderen. Ik was nog thuis. Frans had ook nog een jongere zusje die nog thuis woonde.
Niet lang na de trouwdag van mijn moeder en Frans’ vader kregen we onze eerste ‘gast’ in huis: een jongeman die ondergedoken was vanwege zijn rol in het verzet. De Duitsers zaten achter hem aan en dus moest hij onderduiken en verbleef drie maanden in ons huis. Hij was een Nederlander.”
Frans Braal komt tussenbeide: "Hij was degene die alles stal. Alle identiteitspapieren, alle zegels, stempels. Alles wat van waarde was. Hij stal het, aangestuurd door mij. Onder mijn leiding. [gelach]
Francien van der Pol vervolgt:
"Hij was niet de enige die bij ons in huis logeerde. Al snel ging ik het huis uit. Maar goed, ik hoorde dat er soms één persoon kwam ‘logeren’ en soms bleef iemand een paar nachtjes in huis. En vaak kreeg mijn toen jongere broer – hij was pas twaalf – te horen: dit is iemand uit de provincie Fryslân. Als je Nederlander bent, versta je de Friezen niet. Ze hebben hun eigen taal. […..] Mijn broer moest denken: oké, hij komt uit Fryslân. Als dit ooit met een vriendje ter sprake kwam, was er niets bijzonders aan. […..] Hij kon nooit zeggen dat zo’n gast Engelsman was. Trouwens, ik denk niet dat hij ooit iets tegen vrienden heeft gezegd.
We ontdekten al snel dat Frans en Maria veel mensen hielpen. Tijden waren slecht, het eten was schaars en er was in de laatste maand van 1944 nauwelijks brandstof voor de verwarming beschikbaar. En dus nam Frans mijn stiefzus – die toen zestien was – en mij – ik was pas vijftien – mee naar zijn huis op het platteland. De afstand was dertig kilometer en we moesten het op de fiets doen. Er was niets anders; het was een hele koude winter, die winter. […..] Op het platteland heb je soms meer te eten. Ik dacht dat er ook rantsoenen waren gestolen. Gewoon om de mensen die in het verzet zaten te voeden. Ik bedoel, ze moesten overleven. Ze hadden de bonkaarten niet. We moesten een grote rivier oversteken . Duitse soldaten bewaakten deze brug die de rivier overspant. Ik was behoorlijk bang omdat ik dacht: ‘als ze weten wat de rol van Frans in de ondergrondse is, wat gaat er dan gebeuren?’ Maar het was een wonder dat ze hem erdoor lieten. Ik weet niet waarom. Maar het gebeurde.”
Maria Braal komt tussenbeide: "Ik zal je vertellen waarom. Ze noemden hem Jezus, omdat hij een baard had." [gelach] Frans Braal neemt het over door toe te voegen: "Veel Duitsers hadden behoorlijk wat respect voor mij. Ik weet niet of ik het verdiende. Het was niet alleen respect, het was soms ook bluf; echte bluf. […..] Ik heb de hersenen in het denken weggevaagd en ik liet ze denken, zoals ik wilde dat ze dachten. Dat is wat ik deed."
Francien van der Pol antwoordde: "Ik weet nog dat we vlak bij de brug waren en de Duitse soldaat zei: 'Ah, den Mann mit den Baard', dat was: 'oh, de man met de baard'. We gingen er gewoon heen en dat was het! Maar dit was voor Frans slechts één van de vele oversteken van de rivier. Sommige tochten waren in een roeiboot in het donker met het risico te worden beschoten door de Duitsers . Op deze tochten werden mensen vervoerd die belangrijk waren voor de ondergrondse of schuilplaatsen nodig hadden. Onder hen waren vliegers uit Geallieerde landen: overlevenden van neergeschoten vliegtuigen of mensen die door geallieerde vliegtuigen waren gedropt die vervolgens verder... je weet wel, vanwege het verzet. Dus toen mijn zussen en ik bij de Braals thuis kwamen, ontdekten we dat er nog veel meer mensen waren. [grap, lachend] Gelukkig woonden de Braals in een voormalig ziekenhuis, ik denk dat het een gebruikt ziekenhuis was.” Frans Braal: “Gebruikt ziekenhuis, ja.” Maria Braal: “Met 40 bedden […..].” Francien van der Pol vervolgt: “Met stapelbedden, ik herinner het me nog. Over hepatitis gesproken. Velen van ons kregen op een gegeven moment hepatitis. En jij [kijkend naar Frans] had een fietsje. Je ging ermee door de lange gang en gaf ons allemaal wat te eten, een appel of wat dan ook. En natuurlijk kreeg je later ook hepatitis. Sommigen van ons die alweer beter waren konden voor je zorgen. Oké, maar we ontdekten dat er naast Frans en Maria en hun vier kinderen nog veel meer mensen in dat huis waren. Onder de mensen was er toch een joodse vrouw? […..] Frans Braal: “En een joodse jongen uit Duitsland. ”
Francien van der Pol vervolgt: "Ook mensen die voor het Nederlandse verzet werkten. En een vrouw wiens echtgenoot in een interneringskamp zat?" Frans Braal: “Ja”. Francien van der Pol zucht: “Het is zo lang geleden. Maria Braal: “Tuurlijk”. Francien van der Pol vervolgt: “Op een dag bracht Frans een jongen mee naar huis. Dat heeft hij van de straat in Rotterdam gehaald. Hij keek met grote, scherpe en verlangende ogen. Frans en zijn vrienden waren aan het eten. Misschien melk? Ik weet niet wat hij at. Zoveel kan het niet zijn geweest. De jongen zag het, uitgehongerd. Ik denk dat je naar zijn huis bent gegaan en hem hebt meegenomen? Frans Braal: "Ik ging naar een school waar zijn moeder en zijn broer en zus naartoe waren gebracht. Ze konden niet meer thuis blijven. Alle drie de kinderen hadden oedeem. Weet je wat dat is? De zwelling... [hij wijst naar zijn buik]. Bijna weg! Hij was de enige die ik mee kon nemen op de fiets, omdat de moeder en de twee andere kinderen te zwak waren." Maria Braal: “Hij was de enige die nog kon lopen. Francien van der Pol vervolgt: “Ik weet dat hij huilde omdat hij niet te eten kreeg toen hij aankwam. Hij was zo bang dat hij ziek zou worden als hij zou eten. Zijn maag natuurlijk... ". Maria Braal: "De dokter zei: misschien morgen…". Frans Braal vult aan: "Hij moest langzaam wennen". Maria Braal: "Heb je...?" [publiek lacht weer; voorzitter voegt toe dat Frans en Maria nog aan de beurt komen]
Francien van der Pol vervolgt: “Hoewel ik niet op de hoogte was van alle activiteiten waar Frans en Maria bij betrokken waren, want hoe minder mensen ervan wisten, hoe minder gevaar dat onbedoeld informatie zou lekken. Maar ik zag de bezorgde gezichten, hoorde het gespannen gefluister en voelde de angst die de hele tijd aanwezig was. De nervositeit van Maria toen Frans weg was nam weer toe toen hij een dag langer weg bleef dan ze hadden verwacht. Er had van alles kunnen gebeuren. Als de Duitsers achter Frans’ rol waren gekomen, zou hij ter plekke zijn neergeschoten en zou er gezocht zijn naar Maria en de kinderen en alle andere betrokkenen. [onduidelijk] … angst: de volwassenen deden veel moeite om de spanning te verlichten door de kinderen te vermaken. De tieners namen deel aan georganiseerde leesavonden, lezingen over kunst of wat dan ook; poppenkast en muziekavonden. Ik heb veel geleerd in die maanden. Ik denk dat het een vergelijkbare sfeer was […..] in de kibboets in Israël, waar onderwijs en film een grote rol speelden, maar altijd met de directe angst voor de vijand. Mijn zus en ik hadden ook de taak om elk een kind te verzorgen, dus het was echt goed georganiseerd, iedereen had een taak. [Frans geeft ondertussen Maria een schouderklopje] Ik had hun enige zoon, kleine Frank, op een kleintje... [onduidelijk].
Vlak voor het einde, ik denk dat het vlak voor het einde was, van de oorlog kwam er nog een Friese man. Ik herinnerde me hem vaag omdat ik die dag ziek was met hoge koorts. Toen de oorlog voorbij was, was hij daar weer en opeens hoorden we dat hij een Canadese vlieger was. Hij sprak Engels in plaats van Fries. Mijn zus en ik zijn direct na de oorlog teruggegaan naar Rotterdam, omdat onze ouders daar natuurlijk waren. Mijn broer vertelde me later: ja, er was vaak een bed beschikbaar. Een man die voor één nacht of twee nachten kwam en zo... [zucht] Of de man sprak Nederlands of maakte vreemde geluiden in het Fries. [giechelen]
Frans en Mies, zoals ik altijd in Nederland al zei: ‘Bedankt voor alle hulp die jullie hebben gegeven aan mensen in het Nederlands […..] en in het Fries en voor mij in het bijzonder.’ [einde toespraak]
Introductie door de heer Chernow van een paar stafmensen en van Danny Tucker van de Castlegar branch 170 van het Legioen. Die bedankt dat hij de eer heeft gastheer van deze bijeenkomst te mogen zijn. Nadat hij nog een paar andere V.I.P.’s heeft opgemerkt, geeft hij het publiek de kans een paar woorden tegen de Braals te zeggen. Eén persoon reageert kort maar onduidelijk, waarna de heer Chernow het woord geeft aan de heer en mevrouw Braal.
Maria Braal: "Als je me achterin niet kunt horen, dan neemt mijn man het over omdat hij een luide stem heeft. Het is zo dat onze dochter, Audrey Work, dichtbij ons woont. Als hij aan de telefoon is, zeggen de kleinkinderen hier: 'Opa - wat grootvader betekent - heeft geen telefoon nodig. [gelach] Laten we eens kijken of u me kunt horen. Dit is een brief van Philip Pochailo, onze Canadese piloot die bij ons was ondergedoken. Hij schreef deze brief aan meneer Brisco, maar begint de brief met
‘Dear Maria and Frans’. Er is iets bijzonders aan de handtekening van Philip Pochailo. Er staat ook 'Henk Poldervaart'. Omdat hij lange tijd bij ons was wist je nooit wat er kon gebeuren. Dus gaven we hem Nederlandse identiteitskaarten en zo. We noemden hem ‘Henk Poldervaart’, wat in deze regio zoiets zou zijn geweest als 'John Smith'. [...] We lieten zijn snor groeien en gaven hem een bril. Met gewoon glas, zodat hij er anders uit zou zien. Dus er staan onderaan zijn brief twee handtekeningen.
‘Beste Maria en Frans,
Het doet mij veel genoegen te horen dat de Canadese regering u op 2 januari in Castlegar zal eren...’
[ze controleert nog even of het publiek haar kan horen; ze krijgt een microfoon]
Maria Braal leest verder de brief van Pochailo:
‘Ik ben geïnformeerd door de minister […..; de microfoon wordt aangezet] van Veteran Affairs, de geachte George Hees, dat de heer Brisco hem op dit moment zal vertegenwoordigen. Hoewel het officiële bedankje van Canada voor uw uitzonderlijke bijdrage aan de oorlogsinspanningen tijdens
de Tweede Wereldoorlog enigszins laat is, weet ik zeker dat het zeer oprecht is en zeer gewaardeerd wordt. Niet alleen door de regering van Canada, maar ook door mijzelf. Ik heb onlangs het boek ontvangen van ‘meneer’ Moulijn: “Opdat wij niet vergeten ”
Frans Braal helpt: “Lest not forget”.
Maria Braal neemt het over: "Dat is de titel in het Engels. Francien – hoop ik – en Martin dat jullie dat boekje ook hebben."
Maria Braal vervolgt met de boekbeschrijving: "Over uw dorp Oostvoorne tijdens de oorlog. Het is een werk dat ik voor altijd zal koesteren, omdat ik het gevoel heb dat ik deel uitmaakte van die saga in de jaren '44-'45. Het brengt ook veel herinneringen naar boven aan het moedige werk dat tijdens de oorlog werd verricht, niet alleen door u Maria en Frans, maar ook door vele anderen, met wie ik het voorrecht had ze te ontmoeten en mee samen te werken in die zeer moeilijke periode. Ik bedoel leden van het Nederlandse verzet, zoals Piet Langendoen – ‘hij is inmiddels overleden’, voegt ze eraan toe –, Annie van der Snoek – ‘ze woont nu in Australië’ –, dokter Monster – ‘ik had het net over hem’ –, Henk Vermeer en Cor Vogelaar. Dank u wel, allemaal. Ik betreur het dat Juliette en ik vandaag niet bij jullie in Castlegar kunnen zijn, zodat we jullie vanavond samen met de Canadese regering en het Canadese Legioen volledig hadden kunnen eren. Nu volgt een moeilijk woord ‘reminiscence’ [hakkelend] … Probeer u maar eens wat in het Nederlands te zeggen! [gelach]
Frans Braal maakt de vreugde nog groter: “Zeg maar dat ze IJmuiden of Scheveningen moeten zeggen”. [Maria lacht]
Maria Braal vervolgt: "Over wat humoristische dingen die zijn gebeurd, zoals het zoeken naar de identificatiestempel in uienzakken. Nou, we hadden een gestolen – of wij, natuurlijk Frans met de ondergrondse – identificatiestempels. Weet je, het handvat lijkt vaak op een mooie, gepolijste ui, nietwaar? Dat is wat je in je handen houdt. In de palm van je hand. We waren bang dat Duitsers naar ons huis zouden komen op zoek naar verschillende dingen. We hadden die stempels dus in een groot vat met uien gegooid. De volgende dag hadden we die stempels nodig om valse identiteitskaarten te maken. [giechelen] We waren aan het zoeken – misschien herinnert Francien zich dat nog – we zochten door die uien en konden die stempels maar niet vinden, weet je. Frans Braal vult aan: "omdraaien..." Maria Braal vervolgt: "Dus moesten we het hele vat uien omdraaien. Alles rolde over de vloer. En toen waren we... [gelach] Het was ongelooflijk."
"De naakte vlucht van Frans en 'Henk' door het maïsveld. Het was zo dat – dit was heel triest – een eerwaarde in ons dorp een radio had. Iemand ‘piepte’, dus toen de Duitsers het land binnenkwamen, moesten we allemaal de radio's inleveren. Frans en ik hadden toen nog geen radio. Een van onze vrienden wilde zijn radio begraven, zodat deze niet in Duitse handen viel. Wij zeiden: ‘geef maar aan ons’. Want we wilden weten wat er in de wereld aan de hand was. Deze eerwaarde die dagelijks naar de radio luisterde en andere mensen uitnodigde om ook te komen luisteren – wat, weet je, heel gevaarlijk was om dat te doen –. Omdat hij een radio had, werd hij geëxecuteerd. We wisten niet of hij gemarteld zou zijn. We wisten niet of hij onder marteling over ons zou hebben gesproken. Philip Pochailo en Frans durfden niet langer in ons huis te blijven. […..] Ze bleven drie dagen en nachten in een greppel. Eindelijk kwamen ze weer thuis. Ze dachten: misschien is het gevaar nu geweken. Wil je wel geloven dat in de eerste nacht dat ze weer thuis waren en in hun eigen bed sliepen…. [tussen-voeging] Ik was hoogzwanger van het vierde kind. Ik sliep plotseling in een heel klein kamertje alleen.
Frans en Philip Pochailo en alle anderen sliepen in de grote hal met al die stapelbedden. Plotseling werd er op mijn raam geklopt. Ik keek omhoog in het licht van een zaklantaarn. Zoals die lichtbundel daar, weet je. Ik zag dat het Duitsers waren met een burger erbij. Ik weet niet of die burger een Nederlandse Nazi-sympathisant was. Omdat ze mij in bed zagen liggen, zeiden ze tegen mij: ‘Waar is hij? Waar is hij?’ Ik deed alsof ik het helemaal niet verstond en ik dacht: ‘Zeg niets’. Want als je begint te praten, zeg je misschien te veel. Ik gaf ze geen antwoord. Ze draaiden zich om en gingen de garage in om te zoeken naar personen die ze wilden vinden. Ik durfde eigenlijk niet op te staan en naar de hal te lopen waar Frans en Philip Pochailo lagen te slapen. Dus ik liet mezelf uit bed rollen en op handen en voeten ging ik door dat grote huis en door die hal. Ik schudde Frans en ik schudde Philip Pochailo. Potverdorie, ze waren diep in slaap omdat het de eerste nacht was dat ze weer in een bed lagen. Volgens mij duurde het een eeuwigheid en ik zei tegen hen: ‘de Duitsers, de Duitsers, de Duitsers’.
Nu was het zo: we hadden maar één pyjama in huis. Als goede gastheer en gastvrouw hebben we die ene pyjama aan Philip Pochailo gegeven. Frans, die niet in zijn ondergoed wilde slapen, sliep – je weet wel – naakt. Ze vluchtten via de andere kant het huis uit. Mijn kamer was verderop aan het eind [gebaar op de tafel], dit was de hal met al die stapelbedden, 40 bedden. Ze vluchtten door de hal van het huis, door die deur daar.” [laten zien op tafel]. Frans Braal voegt eraan toe [met een gebaar van schrammen op zijn lichaam]: “Door de rozenstruiken.” [gelach] Maria Braal vervolgt: “Ze kropen onder de bladeren. Frans zei dat het jeukte en nat was, weet je. [giechelen] Ik haalde de warme dekens en lakens af en verspreidde het over alle andere mensen. Ik moest hun kleding weghalen en alles wat erop kon wijzen dat daar twee mannen hadden geslapen. Ik draaide de matrassen om. Het waren in die tijd van die ouderwetse eendelige matrassen. Ik denk dat het gevuld was met wol of zo. Het was zwaar, het was verschrikkelijk. Om het bovenste bed van Philip Pochailo te kunnen bereiken moest ik op het onderste bed gaan staan. Aangezien ik hoogzwanger was, was het nogal moeilijk om overal te komen [giechelen] achterover buigend. Tegelijkertijd was ik bang, ik was zo bang. Toen ik dat allemaal eindelijk gedaan had, kroop ik op handen en voeten terug in mijn eigen bed. Ik hoorde een leger voorbij marcheren en ik dacht: ‘O mijn God, we zijn verloren’ Toen besefte ik dat het geen leger was dat voorbij marcheerde. Het was mijn hart. Door het bonzen. [armgebaar; giechelen] En het was de baby die bewoog. Ik was bang dat ik een miskraam zou krijgen.
De volgende ochtend ging ik naar het hol van de leeuw.” Frans Braal fluistert iets […..] Maria Braal reageert: “Ja, Frans brengt een punt naar voren dat ik heb overgeslagen. Die radio hadden we in huis en Philip Pochailo luisterde elke dag naar het nieuws uit Engeland. Koningin Wilhelmina destijds – de grootmoeder van de huidige koningin Beatrix – zei iedere dag: ‘Blijf vechten, blijf weerstand bieden’. [afwijzend gebaar] Ze zat in Engeland, weet je. [gelach] Ik heb helemaal niets gezegd, nietwaar? [meer gelach] Overdags kwam een man van het verzet mij bezoeken. Dat was vlak voordat Frans en Philip Pochailo terugkeerden uit de sloot waar ze drie dagen ondergedoken zaten. Ik zei tegen deze man, ik zei: ‘Arie – hij is inmiddels overleden –, Arie, ik ben zo bang met die radio in huis. Wil je hem alsjeblieft weghalen?’ Hij zei: ‘Oh, zet hem maar in de garage. Dag!’ Hij ging weer weg, nadat hij hoorde dat Frans niet thuis was. Maar ik durfde hem niet in de garage te zetten. Ik had het gevoel dat deze niet in de garage hoorde te staan. Direct daarna kwam er nog iemand van de ondergrondse.
Hij was ook op zoek naar Frans. Dat was Piet Langendoen, de eerste op de namenlijst – inmiddels ook overleden -. Ik zei: ‘Pieter, ik ben zo bang met die radio in huis. Het moet weg!’ Hij zei: ‘Maria, maak je geen zorgen. Waar is de radio? Ik breng het weg.’ Wat hij deed, hij verstopte het gewoon in de composthoop. [gegiechel] Als ik naar die eerste medewerkers van de ondergrondse had geluisterd, dan hadden de Duitsers die nacht die radio in de garage gevonden. Nou, dan hadden we vanavond deze bijeenkomst niet gehad. Ik kreeg de ingeving dat ik dat niet moest doen.
Waar was ik […..] De volgende ochtend ging ik dus naar het hol van de leeuw. Ik ging op de fiets.
Ik kan het me nog levendig herinneren en jullie weten allemaal wat een zwangerschap is – tenminste de helft van jullie. [gelach] Ik kon nauwelijks tussen het stuur en het zadel komen. Ik ging op de fiets naar de Duitse commandant . Ik zei: ‘Meneer, ik zou graag willen weten waarom u vannacht die Duitse soldaten naar mijn huis heeft gestuurd. Ik had gemakkelijk een miskraam kunnen krijgen en u zou dat voor altijd op uw geweten hebben gehad. Waarom deed u dat?’ Hij keek me aan en zei helemaal niets. Géén woord! Ik draaide me om en ging weg. Ik zei tegen Frans: ‘Het spijt me, ik heb geen informatie gekregen’. Na de oorlog bleek dat hij dit deed om zijn eigen hachje te redden! Omdat hij zei dat hij een vermoeden had wat er bij ons aan de hand was. Als hij dit zou hebben geopenbaard, zou hij na de oorlog als oorlogsmisdadiger zijn geëxecuteerd. Zie je. Hij redde zijn leven door niets te zeggen. Wij hebben daar geluk mee gehad. Dat was de ‘naakte vlucht’. [giechelen]
De volgende ochtend liep ik door de grote tuin. We hadden veel grond rond dat grote huis. Het was een huis van 36 meter lang en gelijkvloers. Ik keek overal rond een mand dragend. Ik deed alsof ik speelgoed zocht dat de kindertjes daar hadden achtergelaten. Maar ik was natuurlijk op zoek naar Duitsers. Ik zag dat de kust veilig was. We hadden afgesproken dat als de kust veilig was, ik een bepaald liedje zou zingen, wat betekende dat ze uit hun schuilplaats konden komen. Als het nog steeds gevaarlijk was, zou ik een ander liedje zingen. Dat betekende: blijf weg. De kust was dus veilig en ik zong dat specifieke liedje buiten. Ze mochten weer het huis binnenkomen. We hebben veel geluk gehad die tijd.”
Maria Braal leest verder uit de brief van Pochailo: “De niet zo humoristische dingen. Bijvoorbeeld de confrontatie van Maria met de Duitse officier die op zoek was naar een ziekenhuis.” Ze voegt eraan toe: “[…..] Deze man zei: ik ben op zoek naar een huis met 40 bedden, omdat we het nodig hebben als ziekenhuis voor gewonde soldaten. Toen gebeurde er iets wat voor mij heel belangrijk is. Omdat dit incident, denk ik, opnieuw onze levens heeft gered. Het was een oudere man. Ik herinner me zijn gezicht nog heel goed. Als ik kunstenaar zou zijn, zou ik hem zo kunnen schilderen. Hij had rossig haar en blauwe ogen. Hij was een aardige man. Hij en ik keken elkaar slechts een paar seconden aan. Toen zei ik tegen hem: Meneer, ik ben hier een oudgediende – wat een leugen was omdat ik in Rotterdam ben geboren en getogen – Ik zei dat ik nog nooit in mijn hele leven van zo’n huis heb gehoord. En dat terwijl ik in de deuropening ervan stond! [gegiechel] Hij keek me aan en zei: mevrouw – natuurlijk in het Duits; Ik sprak Nederlands en hij sprak Duits, maar dat ging heel goed – Hij zei: ik zal nooit meer terugkeren. Ik denk dat deze man wist wat er aan de hand was. Hij voelde het. Ze zijn dus nooit meer teruggekomen. Ze hebben dat ziekenhuis nooit gekregen. Omdat het ons het leven zou hebben gekost. [onduidelijk] … De ‘schat’ die we daar verborgen hielden. [?] Dat bedoelde hij [Pochailo] met de confrontatie.
Vervolgens vertelt hij over het oversteken van de brug bij Spijkenisse. Francien had het daar al over. [kijkt naar Frans voor een reactie] Dat de bewakers vaak ‘Jezus’ tegen je zeiden. Wil je er iets over zeggen?” Frans Braal neemt het over: […..] “Het was natuurlijk heel gevaarlijk om met een Engelse piloot op de fiets over een door de Duitsers gecontroleerde brug te rijden. Allereerst bedacht ik altijd – heel goed, tot in de laatste details – wat er kon gebeuren en hoe de situatie zou kunnen verlopen. Ik had voor de piloten en voor twee andere mannen die door de Duitsers werden gezocht - omdat ik ook piloten heb helpen ontsnappen; ze moesten van dat eiland af – ik heb ze valse identiteitspapieren gegeven. Ik heb bedrijfskleding bedoeld voor medewerkers wegenonderhoud overhandigd, ze kregen een schep mee op hun fiets. Een ander kreeg het doorgangsbewijs mee. Weer een ander droeg een bundeltje jalonstokken, enzovoort. Ik had een speciale – en ik heb hem zelfs bij me – vervalste ‘Ausweis’ – zoals de Duitsers het noemden, een vergunning om die brug over te steken om bepaalde werkzaamheden aan de dijken te doen. Zo kon ik er overheen. Het was uiterst gevaarlijk. We hadden afgesproken dat niemand van hen ook maar één woord zou zeggen. Ik zou alleen het woord doen. Ik sprak vloeiend Duits, was niet moeilijk voor me. Ik wilde het niet ingewikkelder maken door Nederlands te praten. Ik maakte het makkelijker […..] Op deze manier bracht ik ze over de brug. Je moet begrijpen – misschien heb je erover gelezen – zo’n onderneming was heel erg riskant. Ik was slechts één schakel in een ketting.
Normaal gesproken wist ik niet wie de piloten had opgehaald. Ik bracht ze over de brug en soms moest ik in een bootje over de rivier roeien. Ik bracht ze op een afgesproken locatie in Rotterdam. Niet naar een huis of naar iemand. Ik zei alleen: oké, nu loop je ongeveer 300 meter door en dan kom je iemand tegen en hij zal je meenemen. Ik heb die ander nooit gezien. Omdat het grootste gevaar was om gemarteld te worden; gevangengenomen en gemarteld. Ik denk dat ik eerlijk kan zeggen dat ik mijn angsten had. Soms was je bang. Je bent ook maar een mens. Maar de echte angst was om gemarteld te worden. Want dan weet je niet wat er zou gebeuren. Je zou namen, plaatsen of wat dan ook kunnen noemen. Veel andere mensen zouden daarna worden opgepakt en misschien geëxecuteerd, enzovoort. Onlangs hebben ze in Rotterdam een dode man opgegraven. Hij was politieagent in Rotterdam. Zijn broer werd gearresteerd en om zijn broer te redden noemde hij ongeveer 150 namen. Al die mensen werden opgepakt. Sommige gezochten werden niet gevonden, maar de meeste wel. Die werden allemaal geëxecuteerd. Het was erg gevaarlijk. Slechts één link, dat was alles wat ik wist. Later kwam ik erachter dat de piloot naar een rooms-katholieke kerk ging. De priester zou hem naar het zuiden van ons land brengen, naar een klooster. De monniken zouden hem naar Frankrijk brengen. Dat was het hele ding. Op dat moment wist ik er helemaal niets van. En ik wilde het niet weten; het was te gevaarlijk.” [applaus door het publiek]
Maria Braal neemt het weer over: "Ze hebben ook eens een piloot naar een klooster gebracht. Dat hoorden we natuurlijk later. Hij liep net als de nonnen in een habijt rond. Ze konden niet zien dat er een man was. De Duitsers doorzochten het hele klooster, omdat ze het idee hadden dat de nonnen piloten hielpen. Op het moment dat ze wilden vertrekken deden ze toch nog een laatste inspectie, ook in alle toiletten. Ze zagen dat in één toilet het deksel open stond. [geroesemoes] Dat gaf de doorslag. Toen wisten ze dat er onder de nonnen een man was. Ze moesten het bekopen met hun leven.
Het laatste wat ik uit de brief van Philip Pochailo zou willen vermelden is dat toen hij met zijn vliegtuig neerstortte, ze met ongeveer duizend vliegtuigen over vlogen. Richting...?' Frans Braal specificeert: 'In één week zouden er drie keer duizend vliegtuigen richting Duitsland gaan. Meestal naar het Ruhrgebied, Bremen, Hamburg, Duisburg enzovoort. In veel gevallen werden tachtig vliegtuigen neergeschoten. […..] 's Nachts vlogen de Royal Airforce en de Canadian Royal Airforce. Overdag vlogen de Amerikanen. Ze hadden hun forten. Ze hadden een bemanning van elf personen . Ze hadden de dekking van de jachtvliegtuigen bij zich. […..] Er werden slechts enkele Amerikaanse vliegtuigen neergeschoten. De meeste verliezen vielen bij de Royal Airforce en de Canadian Royal Airforce. De aanvalstaktiek van de Messerschmidt-piloten was om eerst de staartschutter te raken. Als de staartschutter werd geraakt en dood was, had het vliegtuig vrijwel geen bescherming meer. Dat is wat er vele, vele keren is gebeurd. Wij woonden – dat kunnen we later misschien met de kaart van Nederland aantonen – net ten zuiden van Hoek van Holland. Daar loopt een grote rivier, de Rijn, die helemaal door Duitsland gaat. De Engelse, de Geallieerde vliegtuigen zouden gewoon over ons eiland vliegen, dan de Rijn volgen en hun missie uitvoeren. We hadden een enorme hoeveelheid luchtafweerkanonnen. Op ons dak regende het soms granaatscherven We waren wakker met onze kinderen en koffers stonden klaar. Wij zaten klaar, want soms werden de vliegtuigen al onderweg naar Duitsland aangevallen. Ze zaten vol met brandstof en bommen. Ze konden slechts heel langzaam stijgen. Soms waren ze bij ons op slechts 1500 meter hoogte. Als de zoeklichten ze vonden brak de hel los. Ze zouden alles proberen om dat vliegtuig neer te halen. Kan je je voorstellen dat dit jaren heeft geduurd? Hoeveel vliegtuigen zijn er wel niet neergeschoten? En elke keer gingen er meestal zeven inzittenden mee naar beneden.”
Maria Braal neemt het weer over en keert terug naar de brief van Pochailo: "Philip Pochailo vermeldt hier ook dat, toen hij met zijn parachute naar beneden kwam, hij opdracht had de parachute te begraven, de bovenkant van zijn laarzen af te snijden en het uniform uit te trekken, enzovoort. Hij stond aan de kant van de weg. Het was in de vroege ochtenduren. Het werd licht. Hij was de enige van zijn vliegtuig die levend naar buiten kwam . Hij hoorde en zag twee soldaten aankomen. Hij draaide zich om, verstopte zich in een maïsveld en vroeg zich af waarom de twee soldaten eigenlijk niet achter hem aan kwamen. Later zag hij aan de andere kant dat het een mijnenveld was. [ontzetting bij het publiek] Hij had geluk.” Ze leest verder: “Deze dingen zijn nu slechts herinneringen aan het verleden. Hopelijk nooit meer voor herhaling vatbaar. Omdat Juliette en ik er vanavond niet persoonlijk bij kunnen zijn, willen we jullie, Frans en Maria, via de heer Brisco hartelijk bedanken voor het feit dat jullie mij in jullie huis hebben opgenomen toen ik in mei '44 boven Nederland werd neergeschoten. Jullie deden dit met groot gevaar voor jezelf en jullie gezin en deelden met mij het weinige eten en drinken waarover jullie op dat moment konden beschikken. Voor deze en de vele andere daden van goedheid die jullie mij hebt getoond, zal ik jullie eeuwig dankbaar zijn, evenals mijn hele gezin.
Hoogachtend,
Philip Pochailo.’
Dank jullie wel” [groot applaus]
[Pauzemuziek volgt op Shaw kabel-TV bedoeld voor de Kootenay leefgemeenschap tot het interview voor TV]
Verslaggever: Waarom raakte u betrokken bij het onderbrengen van de piloten?
Maria Braal: "Waarom zijn we betrokken geraakt bij het verbergen van de piloten? Nou ja, het kwam gewoon op ons pad. En jij [kijkend naar Frans Braal] had de afspraak met de ondergrondse dat je zoveel mogelijk mensen zou meenemen en in veiligheid brengen. Maar dat is jouw bijdrage."
Frans Braal: "Zoals ik al eerder zei, het waren deels de omstandigheden en deels onze persoonlijkheden. We waren bijna geprogrammeerd. Toen de gelegenheid zich voordeed. We hadden de keuze kunnen maken. Kijk weg, sluit onze ogen of doe de klus die gedaan moest worden. We kozen ervoor om de klus te klaren. Omdat, zoals Maria zei, als ikzelf ergens was neergeschoten, zij graag had gezien dat iemand mij zou helpen ontsnappen. Het ging geleidelijk. Ik was al betrokken bij ondergronds werk met het helpen van kinderen, andere verzetsmensen."
Verslaggever: Hoe lang zat u in de ondergrondse?
Frans Braal: "We zijn begonnen eind '41, toen de Duitsers joodse mensen begonnen op te pakken . Toen nam ik die ene man mee die het [onduidelijk] verzet hielp. Daarna raakte ik er steeds meer bij betrokken. Dat was geen bewuste keuze, maar ging sluipenderwijs. Maria Braal helpt: "Het werkt als een sneeuwbal: het wordt groter en groter." Je kunt jezelf niet meer ‘buiten sluiten’ [?]. Wij wilden de democratie behouden.” Frans Braal: “We waren vreselijk boos […..] niet tegen het Duitse volk als zodanig, maar tegen de Nazi’s, die ons al onze rechten en vrijheid ontnamen. Ze dwongen ons dingen te doen die we niet konden waarderen: bouwen vestingwerken, enzovoort. Het was bijna slavenwerk. Wat ons het meest trof was dat ze het hele joodse volk meenamen. Dat maakte deel uit van ons land. Ze brachten hen naar concentratiekampen. Dat heeft veel mensen echt van streek gemaakt.
Wij werden actief. Van het een kwam het ander. Het was niet zozeer een bewuste keuze. Je raakte er gewoon bij betrokken. Ik kreeg steeds meer verantwoordelijkheid. Ik was verantwoordelijk voor wat andere mensen deden. Het groeide. Wij hebben het samen gedaan.” [wijzend naar Maria Braal]
Ze voegt eraan toe: “We kwamen op een punt – we waren nog maar in de twintig – dat je ineens beseft – en dat is nogal een schok – dat je maar één keer kunt sterven. Je kunt dus net zo goed meer daden verrichten. Omdat het onderbrengen van de Canadese piloot ons al het leven zou kunnen kosten. Je kunt dus net zo goed nog meer mensen opnemen. Het betekende afleiding van onze zorgen en van het gevaar. Omdat we dat grote huis hadden met de 40 bedden. Ik zei ook al eerder tegen iemand anders hier: we waren niet bang om te sterven, daar konden we mee leven. Met de gedachte dat we de vrede nooit zouden zien. Maar we waren erg bang voor ‘Deutscher’. We hebben ontzettend veel geluk gehad.” Frans Braal: “Ja!” Maria Braal vervolgt: “Er zijn andere mensen die vlak na de oorlog zeiden dat de Heer met ons was. Wij zien het op een andere manier. We hebben heel erg veel geluk gehad. Frans Braal nogmaals: "Extreem gelukkig, maar ik heb er ook heel goed op gelet mezelf niet te veel bloot te geven. Ik had de verantwoordelijkheid, ik was de leider van de lokale verzetsbeweging, maar bleef zoveel mogelijk op de achtergrond. Maar ik heb het georganiseerd. [einde uitzending]